Bewegen en sporten na SCAD: hoe bouw je verantwoord op?
In gesprek met fysiotherapeut Jeroen Pisart over bewegen, sporten, vaatspasmen en CMD.
Na een SCAD kan bewegen spannend zijn. Hoe weet je wat veilig is? Hoe bouw je conditie en kracht weer op? En wat doe je als je juist na inspanning klachten krijgt, zoals bij vaatspasmen of CMD?
Fysiotherapeut Jeroen Pisart, werkzaam bij Basalt Revalidatie in Delft, begeleidt mensen binnen de hartrevalidatie, waaronder mensen met SCAD en coronaire vaatdysfunctie. In dit interview vertelt hij hoe je na SCAD weer vertrouwen kunt krijgen in bewegen, waarom intensiever niet altijd beter is en welke praktische handvatten kunnen helpen.
Jeroen, kun je jezelf kort voorstellen?
Ik ben Jeroen Pisart, fysiotherapeut bij Basalt Revalidatie. Ik werk op de locatie in Delft. Binnen mijn werk houd ik me onder andere bezig met hartrevalidatie, waaronder de begeleiding van mensen met SCAD en coronaire vaatdysfunctie.
Daarnaast werk ik binnen de complexe hartrevalidatie, voor bijvoorbeeld mensen met hartfalen, een steunhart, na een harttransplantatie of na een aortadissectie.
Hebben jullie een speciaal programma voor mensen met SCAD en CMD?
Ja. Op onze locaties in Leiden en Delft hebben we een programma voor deze groep. Het programma verschilt van de reguliere hartrevalidatie.
Bij reguliere hartrevalidatie ligt de nadruk vaak op het verbeteren van de conditie. Bij mensen met SCAD en coronaire vaatdysfunctie is dat niet per se het belangrijkste doel. We willen vooral dat mensen weer plezier krijgen in bewegen en meer grip krijgen op hun situatie.
We zien namelijk regelmatig dat wat iemand op een dag doet niet goed aansluit bij wat iemand op dat moment aankan. Daarom geven we mensen vooral praktische handvatten om hun dagelijkse activiteiten beter te verdelen en weer vertrouwen te krijgen in bewegen.
Ook lotgenotencontact is belangrijk. Mensen krijgen informatie over hun aandoening en kunnen ervaringen delen met anderen die vergelijkbare problemen hebben.
Welke resultaten zien jullie bij dit programma?
We zien niet direct dat mensen na twaalf weken veel fitter zijn. Dat is ook niet het belangrijkste doel. Wat we wel zien, is verbetering op het gebied van angst, depressie en kwaliteit van leven. Ook kijken we samen met de ergotherapeut naar persoonlijke doelen: wat wil iemand zelf weer kunnen doen en hoe tevreden is iemand over het functioneren?
Daarin zien we dat mensen vooruitgaan. Ze krijgen een andere kijk op bewegen en op wat ze kunnen.
“We willen vooral mensen de tools en handvatten geven, zodat ze weer kunnen bewegen en in het dagelijks leven meer de regie krijgen.”
Het gaat dus niet alleen om fitter worden, maar ook om leren omgaan met wat er veranderd is?
Precies. We noemen dat ook wel acceptatie. Dat is geen proces dat je in een paar weken afrondt.
Na een SCAD kan er een gevoel van verlies zijn. Misschien kon je vroeger bepaalde dingen wel en nu niet meer, of lukt het voorlopig niet op dezelfde manier. Het is belangrijk om daar aandacht voor te hebben, maar tegelijkertijd te kijken naar de vraag: wat kan ik wél en hoe kan ik dat weer gaan doen?
Dat betekent vaak ook dat mensen minder prestatiegericht leren bewegen.
Bij vaatspasmen en CMD kunnen klachten juist later na inspanning ontstaan. Hoe zit dat?
Het precieze werkingsmechanisme van vaatspasmen en CMD is nog niet volledig bekend. We weten wel dat onder andere fysieke en mentale stress triggers kunnen zijn.
Bij vaatspasmen zien we bovendien dat klachten niet altijd tijdens het sporten ontstaan. Ze kunnen juist later optreden, bijvoorbeeld 's nachts of vroeg in de ochtend. Dat maakt het soms lastig om een verband te leggen tussen inspanning en klachten.
Een van de theorieën is dat spasmen juist kunnen ontstaan op het moment dat het lichaam in rust komt. Waarom dat precies gebeurt, is nog niet duidelijk en er is nog veel onderzoek nodig.
Wat kunnen mensen zelf doen om op een veilige manier te bewegen?
Een belangrijk onderscheid is dat bewegen niet hetzelfde is als sporten.
Veel mensen denken dat bewegen intensief moet zijn om gezond te zijn. Dat klopt niet. Juist voor mensen die weinig bewegen, is de grootste gezondheidswinst te behalen door simpelweg weer wat meer te gaan bewegen.
Wandelen, fietsen of actief zijn in het dagelijks leven kan al heel waardevol zijn. Het hoeft niet zwaar of intensief te zijn.
Een eenvoudige manier om zelf de intensiteit in de gaten te houden, is letten op je ademhaling. Kun je rustig door je neus ademen, dan zit je op een laag inspanningsniveau. Adem je wat meer door je mond, maar kun je nog goed praten, dan is dat ook een prima niveau.
Wordt je ademhaling duidelijk sneller en wordt praten lastiger? Dan is het verstandig om wat rustiger aan te doen.
“Continuïteit is belangrijker dan één keer heel intensief sporten.”
Waarom is die lage intensiteit zo belangrijk?
We willen voorkomen dat iemand te veel doet, vervolgens dagenlang klachten heeft en daarna op een goede dag weer veel te veel gaat doen.
Dan ontstaat een soort zaagtandpatroon: een dag te veel doen, daarna herstellen, vervolgens weer te veel doen en opnieuw instorten. Op die manier ontstaat er geen stabiele opbouw.
Het doel is juist om een niveau te vinden waarop iemand langere tijd stabiel kan bewegen. Vanuit die stabiliteit kun je vervolgens rustig gaan opbouwen.
Continuïteit is belangrijker dan één keer heel intensief sporten.
Welke rol speelt de ergotherapeut hierin?
De ergotherapeut kijkt onder andere naar de verdeling van activiteiten over de dag. We gebruiken daarbij vaak de vergelijking met een accu. Je begint de dag met een volle accu. Als die aan het einde van de dag leeg is, is dat niet per se een probleem. Maar als je accu halverwege de dag al helemaal leeg is, wordt de rest van de dag lastig. En als je hem structureel te ver leegtrekt, kan dat ook gevolgen hebben voor de volgende dag.
Daarom is energiemanagement zo belangrijk: leren je energie beter te verdelen en op tijd rust te nemen.
Daarnaast zijn er binnen het programma bijeenkomsten met de cardioloog, psycholoog en maatschappelijk werker. Zo kijken we niet alleen naar bewegen, maar naar het geheel.
Hoe zit het met bètablokkers en bewegen?
Bètablokkers verlagen onder andere de hartslag en de bloeddruk. Bij SCAD zijn bètablokkers een belangrijk onderdeel van de behandeling. Er zijn aanwijzingen dat ze de kans op een nieuwe SCAD kunnen verkleinen.
Tegelijkertijd kunnen mensen door bètablokkers meer vermoeidheid ervaren en kan het langer duren voordat de hartslag tijdens inspanning op gang komt.
Daarom kijken we tijdens de revalidatie onder andere met een fietstest naar de hartslag en de inspanningszones. Soms is de hartslag door medicatie zo laag dat patiënten hierover ook met het ziekenhuis overleggen. Het is belangrijk om altijd met je cardioloog te bespreken welke dosering bij jou past.
Heb je een bètablokker? Moet je dan anders beginnen met bewegen?
Het belangrijkste is: begin rustig.
Ga je bijvoorbeeld wandelen, begin dan niet meteen op hoge snelheid. Geef jezelf de tijd om rustig op gang te komen. Zeker bij het gebruik van een bètablokker kan het lichaam wat meer tijd nodig hebben om zich aan de inspanning aan te passen.
Wat kun je doen in de eerste 6 tot 8 weken na een SCAD?
In die eerste periode wordt vaak geadviseerd om rustig aan te doen. De gedachte daarachter is dat de vaatwand tijd nodig heeft om te herstellen. Dat betekent echter niet dat je helemaal niet moet bewegen. Wandelen is juist een goede manier om rustig in beweging te blijven.
Let daarbij vooral op de intensiteit. Een praktische richtlijn is opnieuw: kun je rustig door je neus ademen, dan zit je op een laag inspanningsniveau.
Heb je daarnaast nieuwe medicijnen gekregen, bijvoorbeeld een bloeddrukverlager, let dan goed op wat die medicijnen met je doen. Sommige mensen kunnen bijvoorbeeld duizelig worden bij het opstaan. Dat kan rondom bewegen extra merkbaar zijn.
Het belangrijkste is dat je een vorm van bewegen vindt die bij jou past en die je leuk vindt.”
Een veelgestelde vraag: hoeveel kilo mag je tillen na een SCAD?
Daar geven wij bewust geen vast aantal kilo's voor.
Het probleem met een advies als 'maximaal 5 of 10 kilo' is dat het voor iedereen iets anders betekent. Iemand die gewend is aan krachttraining kan een bepaald gewicht gemakkelijk tillen, terwijl hetzelfde gewicht voor iemand die nooit krachttraining heeft gedaan veel zwaarder kan zijn.
Belangrijker is hoe zwaar de inspanning voor jou voelt en of je daarbij je adem kunt blijven gebruiken.
Wanneer je iets zwaars optilt en je jezelf schrap zet en je adem inhoudt, kan de druk in de borstkas en de bloeddruk sterk toenemen. Dat willen we juist voorkomen.
Een bruikbaar uitgangspunt is daarom: til een gewicht waarvan je het gevoel hebt dat je het nog meerdere keren zou kunnen doen. Ga niet tot het maximale.
Dus liever een licht gewicht en meer herhalingen?
Precies. We adviseren liever om het aantal herhalingen geleidelijk op te bouwen dan steeds zwaardere gewichten te gebruiken.
En heel belangrijk: blijf doorademen.
Bij kracht zetten is uitademen het beste. Het vasthouden van de adem kan de druk in de borstkas en de bloeddruk flink verhogen.
Geldt dat ook voor oefeningen zoals planken?
Ja. Bij statische oefeningen, waarbij je een houding langere tijd vasthoudt, is de kans groter dat iemand ongemerkt de adem inhoudt. Daarom zijn dynamische oefeningen vaak geschikter. Als je bijvoorbeeld een oefening doet waarbij je jezelf opdrukt, kun je gemakkelijker blijven bewegen en doorademen. Kun je bij een oefening niet goed meer doorademen, maak de oefening dan lichter.
Welke sporten zijn veilig en welke vragen meer voorzichtigheid?
Je kunt het grofweg zien als een verkeerslicht.
Groen: wandelen en rustig fietsen zijn voorbeelden van activiteiten die doorgaans goed passen. Het gaat om een intensiteit waarbij je nog gemakkelijk kunt praten en rustig kunt ademen.
Geel/oranje: intensiever fietsen, joggen, zwemmen en bijvoorbeeld Zumba of Pilates kunnen mogelijk ook, maar daarbij is het belangrijk om goed te letten op de intensiteit en op je ademhaling.
Bij Pilates en yoga is vooral het langdurig vasthouden van zware of intensieve houdingen iets om voorzichtig mee te zijn. Ook bepaalde buikspieroefeningen kunnen ervoor zorgen dat mensen hun adem inhouden.
Rood: contactsporten zoals judo, boksen en kickboksen raden we af. Ook sporten waarbij een sterke competitiecomponent aanwezig is, kunnen lastig zijn om goed te doseren.
Waarom zijn contactsporten en competitiesporten minder geschikt?
Bij een val of een klap op het lichaam kan veel kracht ontstaan. Mensen zetten zich daarbij vaak automatisch schrap en houden hun adem in. Dat kan een flinke drukverhoging veroorzaken.
Bij competitie komt daar nog iets bij. Als je aan het winnen bent of midden in een wedstrijd zit, is het moeilijk om bewust een stapje terug te doen wanneer je lichaam daar eigenlijk om vraagt.
Dat geldt bijvoorbeeld voor voetbal, hockey, basketbal of wedstrijdzwemmen.
En hoe zit het met intensieve sporten zoals hardlopen, triatlon of mountainbiken?
We weten dat fysieke stress een mogelijke trigger kan zijn. Een zeer zware inspanning of een maximale krachtinspanning kan zorgen voor een flinke belasting van het lichaam en een hoge bloeddruk.
Daarom adviseren we om voorzichtig te zijn met maximale inspanningen en vooral te kijken naar wat voor jou haalbaar en verantwoord is.
Dat betekent overigens niet automatisch dat iemand die voorheen hardliep nooit meer mag hardlopen. Het doel is juist om samen te kijken hoe iemand binnen veilige grenzen weer kan bewegen.
“Het mooiste is als mensen weer terugstromen naar hetgeen waar ze eerst actief in waren.”
Kun je na de revalidatie weer terug naar de sport die je vroeger deed?
Dat is vaak juist het mooiste doel.
Was je voorheen een fanatieke hardloper, dan kun je uiteindelijk mogelijk weer gaan hardlopen, maar wel binnen de grenzen die bij jou passen.
Hield je van zwemmen? Dan kan zwemmen een goede vorm van bewegen zijn. En als je liever wandelt, is wandelen net zo goed waardevol.
Het belangrijkste is dat je een vorm van bewegen vindt die bij jou past en die je leuk vindt.
Je hoeft dus zeker niet verplicht naar de sportschool.
Wat als iemand na de revalidatie nog onzeker is?
Als iemand nog zoekende is, kan het helpen om in de eigen omgeving een fysiotherapeut of oefentherapeut te zoeken die ervaring heeft met hartrevalidatie. Vanuit de revalidatie kunnen we informatie meegeven over wat iemand heeft doorgemaakt en welke adviezen belangrijk zijn. Zo kan iemand onder begeleiding verder werken aan het herstel.
Uiteindelijk is het doel wel dat iemand weer zo zelfstandig mogelijk verder kan. Bewegen moet onderdeel kunnen worden van het dagelijks leven, zonder dat je voor altijd afhankelijk bent van een therapeut.
Heb je nog een belangrijk aandachtspunt voor mensen met SCAD en FMD?
Ja. Bij mensen met SCAD wordt vaak ook gekeken naar fibromusculaire dysplasie (FMD).
Wanneer FMD wordt vastgesteld, en zeker wanneer de halsvaten betrokken zijn, is het belangrijk om voorzichtig te zijn met extreme nekbewegingen. Dat betekent bijvoorbeeld dat bepaalde yoga-oefeningen waarbij de nek sterk wordt belast, worden afgeraden.
Wanneer er geen FMD in de halsvaten is vastgesteld, ligt dat anders. Dan is het risico op problemen door dergelijke nekbewegingen naar alle waarschijnlijkheid kleiner.
Bespreek dit altijd met je behandelend arts of revalidatieteam, zeker als bij jou FMD is vastgesteld.
Tot slot: wat zou je mensen vooral willen meegeven?
Dat bewegen niet draait om prestaties.
Het gaat er niet om hoe hard, hoe ver of hoe zwaar je kunt. Het gaat erom dat je een manier vindt om te bewegen die bij jou past, die goed voelt en die je kunt volhouden.
Als je iets vindt waar je plezier uit haalt, is de kans veel groter dat je het over tien jaar nog steeds doet.
“We willen vooral mensen de tools en handvatten geven, zodat ze weer kunnen bewegen en in het dagelijks leven meer de regie krijgen.”